Een analoog branddetectiesysteem maakt gebruik van adresseerbare sensors die op rook of warmte reageren. Een brandsensor communiceert voortdurend met de centrale en geeft zijn analoge waarde door. De centrale slaat deze waarde op en beslist, aan de hand van een ingesteld algoritme, het alarm in werking te stellen.
Bij een analoog branddetectiesysteem worden de sensors, tot een maximum van 128, aangesloten in een communicatieloop. Elke sensor heeft een adres waaraan een plaatsomschrijving is toegewezen. Als de centrale beslist een bepaalde sensor in alarm te sturen, verschijnt de plaatsomschrijving op de display, hierdoor is een snelle lokalisering mogelijk.
De gevoeligheid van vervuilde rooksensors wordt regelmatig gecompenseerd door zowel het nul- als het alarmpunt te verhogen. Bij een totale vervuiling verschijnt een servicesignaal.
Een analoog branddetectiesysteem wordt gebruikt voor grotere branddetectie-installaties.